Skip to main content
Artikel

Gevolgen van de renteontwikkeling voor premiedekkingsgraden

Retirement
N/A

Door Wichert Hoekert en Marit Elias | September 30, 2019

Een onrustige zomer op rentemarken veroorzaakt hogere reserveringen.

De afgelopen zomer is op rentemarkten een onrustige zomer geweest. In onderstaande grafiek is zichtbaar dat de marktrente per 20 september voor looptijden tot 12 jaar negatief was en voor looptijden daarboven beperkt positief. Per einde augustus lag de curve nog lager, en intraday is zelfs even sprake geweest van een geheel negatieve curve.

Een negatieve rente betekent dat voor een toekomstige uitkering nu meer geld moet worden aangehouden dan die uitkering zelf. Voor een uitkering van 100 euro over tien jaar moet nu, op grond van de negatieve rente, bijvoorbeeld 105 euro worden gereserveerd.

Vanaf 31 juli is voor een gemiddeld fonds de TV tot einde augustus toegenomen met bijna 6%, maar daarna tot einde september weer met meer dan 2% afgenomen. Ook van belang is dat het verschil tussen de TV op basis van huidige en de nieuwe UFR bij de huidige marktrente is toegenomen tot tussen de 8 en 9%. Voor jonge fondsen en premies zijn de effecten nog aanzienlijk groter.

Dat heeft allerlei consequenties, zoals voor herstelplannen en premies. Voor herstelplannen geldt dat de kans op kortingen vanwege onvoldoende herstelkracht inmiddels bij veel fondsen groot is geworden. De lage rente betekent weliswaar dat de kritieke dekkingsgraden (die eerder werden verhoogd door de nieuwe parameters, die vanaf 1 januari 2020 van kracht zullen zijn) weer wat zijn gedaald, maar dat effect wordt in veel gevallen te niet gedaan doordat de premie meer herstelvertragend gaat werken. Bovendien zijn de dekkingsgraaddalingen, nog afgezien daarvan, sterker dan dat. De tegemoetkomingen betreffende kortingsmaatregelen die in het pensioenakkoord zijn gedaan hebben geen betrekking op dit soort kortingen maar alleen op kortingen vanwege aanhoudend dekkingstekort, die voor einde 2019 maar voor enkele fondsen aan de orde kunnen zijn.

Fondsen die mogelijk zullen moeten korten doen er goed aan alle elementen die van invloed zijn op het herstelplan tijdig afdoende in beeld te brengen. Denk daarbij aan het te hanteren rendement en de vaststelling van het vereist eigen vermogen. Ook moet overwogen worden of uniforme toepassing van de kortingsmaatregel de meest evenwichtige vorm is. Overigens blijft de omvang van de korting, vanwege de herstelplanmethodiek waarbij slechts een tiende van het tekort in een korting wordt omgezet, in de regel beperkt.

In 2020 geldt op grond van de implementatie van IORP2 voor het eerst een aankondigingstermijn van drie maanden voor door te voeren kortingsmaatregelen. Dat zal in de praktijk betekenen dat kortingen – rekening houdend met de indieningstermijn van herstelplannen en de reactietermijn van DNB - niet eerder dan augustus 2020 (en uiterlijk in december 2020) zullen worden doorgevoerd.

Voor premiedekkingsgraden is de invloed van de rente nog sterker. Zonder ingrepen is onze inschatting dat de gemiddelde premiedekkingsgraad, op basis van rente van 20 september, daalt van bijna 85% in 2019 naar net boven de 60% in 2020. Dat is in termen van de huidige UFR; op basis van de nieuwe UFR neemt die premiedekkingsgraad zelfs af richting 50%. In veel gevallen zullen herstelplannen, afspraken over minimale premiedekkingsgraden of aanvang van nieuwe premieperiodes impliceren dat premie en/of opbouw moeten worden herzien. Ook waar die min of meer dwingende aanleiding niet bestaat is het in onze optiek bij dergelijke premiedekkingsgraden onvermijdelijk om premieafspraken te heroverwegen.

Andere aspecten waar de extreme rentedaling implicaties kan hebben zijn bijvoorbeeld de doorvoering van maatregelen uit crisisplannen, de inkoop uit VPL-regelingen (ook gezien de aangescherpte voorwaarden die daarvoor van kracht zijn geworden), de aanwending van reserves ter voorkoming of beperking van kortingen, heroverweging van recente strategische analyses op beleggingsgebied en de opzet van het beleggingsplan voor 2020, waarbij de zoektocht naar matching categorieën met rendementspotentieel een gebied van aandacht zal zijn.

Een kleine positieve noot is dat de compensatielast bij afschaffing doorsneesystematiek door de lage rente zou kunnen afnemen. Het CPB noteerde daarover in 2017 het volgende: “Bij een hypothetische nominale rente van nul vervalt het doorsneeprobleem in een nominaal FTK contract zelfs geheel.” Die hypothetische rente van nul is inmiddels min of meer bewaarheid geworden, maar toekomstige pensioenopbouw onder het nominaal FTK lijkt door het pensioenakkoord hypothetisch te worden. Het probleem verdwijnt daardoor vermoedelijk niet geheel, mede vanwege de introductie van premiedekkingsgraden van 100% in de nieuwe contractsvormen, met potentiële compensatievragen tot gevolg.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wichert Hoekert.

Contact Us
Related content tags, list of links Artikel Pensioen Nederland