Skip to main content
Artikel | Accent op HR

Minister Koolmees treft voorbereidingen voor aanpassingen pensioenstelsel

Retirement
N/A

Door Wichert Hoekert en Willem Eikelboom | Februari 7, 2019

Vrijdag 1 februari 2019 heeft minister Koolmees de kamer per brief geïnformeerd over de toekomst van het pensioenstelsel. In de brief noemt de minister acties die moeten bijdragen aan een toekomstbestendiger pensioenstelsel, deze geven goed zicht op de inhoudelijke contouren van een nieuw pensioenstelsel. In dit artikel gaan we in op alle tien door het kabinet genoemde acties, waarvan een aantal met name relevant is voor werkgevers met pensioenfondsen.

Op vrijdag 1 februari heeft minister Koolmees de kamer per brief geïnformeerd over de toekomst van het pensioenstelsel. De brief was in het najaar 2018 al aangekondigd nadat werkgevers- en werknemersorganisaties de onderhandeling over het pensioenakkoord zonder resultaat hadden beëindigd.

In de brief noemt de minister acties die moeten bijdragen aan een toekomstbestendiger pensioenstelsel. Een volledige planning naar een nieuw stelsel ontbreekt nog. Voor verdere invulling zoekt het kabinet het gesprek met sociale partners, pensioenuitvoerders, toezichthouders, de wetenschap en jongeren- en ouderenorganisaties.

De genoemde acties geven wel goed zicht op de inhoudelijke contouren van een nieuw pensioenstelsel. De belangrijkste daarvan zijn:

  • In een nieuw stelsel is de hoogte van de pensioenpremie bepalend voor de opbouw. Bij een vaste premie zullen jongeren meer en ouderen minder pensioen opbouwen. Vanwege de lagere opbouw op hoge leeftijd zal voor bestaande medewerkers een tijdelijke compensatie nodig zijn. De effecten zullen per onderneming verschillend zijn (afhankelijk van type regeling, leeftijdsverdeling en type uitvoerder). Elke werkgever zal uiteindelijk verplicht een transitieplan op moeten stellen. Vóór de zomer 2019 moet het CPB meer inzicht geven in de diversiteit tussen type regeling/uitvoerder/leeftijd.
  • In Q4 2019 volgt een wetsvoorstel met de mogelijkheid om 10% van het pensioen ineens uit te keren op het moment van pensioeningang.
  • Voor eind 2019 wil de minister een waarderingskader opleveren dat aangeeft welk deel van de buffer in een pensioenfonds toehoort aan een individuele deelnemer.
  • Vóór de zomer 2019 wil de minister inzicht geven in de mogelijkheid om binnen een pensioenfonds in het beleggingsbeleid onderscheid te maken naar verschillende leeftijdscategorieën.

De brief van Koolmees zien wij als een indicatie dat het kabinet van zins is de vernieuwing van het stelsel door te zetten - ook, desnoods, als sociale partners er zelf niet uitkomen. Wij zijn blij dat de minister onderkent dat de effecten van de afschaffing doorsneesystematiek verschillend zijn per onderneming. Als WTW hebben we daar afgelopen jaar verschillende keren aandacht voor gevraagd.

Onderstaand treft u een overzicht van alle tien door het kabinet genoemde acties, waarvan een aantal met name relevant is voor werkgevers met pensioenfondsen:

  1. Afschaffing doorsneesystematiek. In het nieuwe pensioenstelsel is de hoogte van de pensioenpremie bepalend voor de pensioenopbouw. Bij een gelijke pensioenpremie wordt de pensioenopbouw van jongeren hoger, en die van ouderen lager. Door de lagere opbouw op hogere leeftijd zal voor bestaande werknemers een pensioengat gaan ontstaan bij overgang op een nieuw stelsel. Het kabinet wil met wetgeving werkgevers en werknemers verplichten een transitieplan op te stellen. Dat transitieplan moet voorzien in een compensatie voor negatieve effecten. Hoe en in welke mate er wordt gecompenseerd zal op decentraal niveau afgesproken moeten worden.

    De gevolgen van de afschaffing doorsneesystematiek kunnen sterk verschillen per onderneming. De leeftijdsverdeling van het medewerkersbestand heeft een grote invloed. Ook verschillen de consequenties per type regeling (middelloon danwel beschikbare premie) en per type pensioenuitvoerder. Het CPB zal nader onderzoek doen naar deze verschillen.
  2. Risicodeling binnen premieovereenkomsten. De minister wil de mogelijkheid onderzoeken om binnen een beschikbare premieregeling meer risico’s te verdelen. Voorbeelden zijn een collectieve verdeling van langlevenrisico en de introductie van een collectieve buffer.
  3. Maatwerk in beleggingsbeleid. Binnen een pensioenfonds is er nu één gezamenlijk beleggingsbeleid. Het kabinet wil het mogelijk maken om het pensioenvermogen binnen een fonds te verdelen naar verschillende leeftijdsgroepen, met elk een ander beleggingsbeleid.
  4. Omzetting pensioenaanspraken. Het kabinet vindt dat individuele deelnemer bij pensioenoverdracht vanuit een middelloonregeling ook een deel van de collectieve buffers uit die regeling moeten meekrijgen. Dat is van belang als deelnemers hun pensioenaanspraken willen overdragen naar het nieuwe pensioenstelsel. Voor eind 2019 wil het kabinet hiervoor een waarderingskader opleveren.
  5. Opname ineens. Het kabinet wil bij pensionering de mogelijkheid geven voor een eenmalige opname van een deel van het pensioenvermogen. Gedacht wordt aan een maximum van 10%. Een wetsvoorstel hierover wordt verwacht in het vierde kwartaal 2019.
  6. Individueel inzicht in pensioenvermogen. Het kabinet wil dat individuele pensioendeelnemers beter inzicht krijgen in de voor hen betaalde pensioenpremie, rendement, pensioenvermogen en pensioenuitkering. Vóór de zomer volgt meer informatie over deze te communiceren pensioenaspecten.
  7. Reikwijdte. Zo'n 13% van de werknemers blijkt in het geheel geen pensioen op te bouwen. Het kabinet vindt deze 'witte vlek' zorgelijk en gaat daarom onderzoek doen naar de mogelijkheden om de pensioenopbouw onder deze groep te verhogen.
  8. Nabestaandenpensioen. De Stichting van de Arbeid is gevraagd om advies uit te brengen over verbetering van de mogelijkheden voor verzekering van nabestaandenpensioenen.
  9. AOW-leeftijd. Het CPB en RIVM zijn gevraagd om te onderzoeken of de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting verstandig is.
  10. Commissie parameters. Veel pensioenfondsen baseren hun premie op een verwacht toekomstige beleggingsrendement. Een commissie Parameters bestaande uit onafhankelijke deskundigen moet vóór de zomer 2019 een advies geven over het maximum aan te hanteren beleggingsrendement en de UFR-methodiek. Die maxima staan in beginsel vast voor de periode 2020-2024, en daarmee voor het eerst voor de premie voor 2021

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wichert Hoekert of Willem Eikelboom.

Contact Us
Related content tags, list of links Artikel Accent op HR Pensioen Nederland